Werkvolgorde bij het behangen

U werkt bij het behangen altijd van het raam af. U begint bij de lichte kant (de raamkant) van de muur en werkt naar de donkere kanten van de kamer toe. Daardoor valt het licht ín de behangnaden, zodat deze nauwelijks opvallen. Zou u het andersom doen, dan zorgt schaduw ervoor dat de naden extra zichtbaar zijn.

Behangen langs een loodlijn

Bovendien begint u met behangen langs een getekende loodlijn. Huizen zijn vrijwel nooit recht gebouwd (zelfs veel nieuwbouwhuizen niet). Muren en plafonds staan niet precies in een hoek van 90 graden ten opzichte van elkaar.

Als u precies tegen een muur aan zou beginnen met behangen, is de kans groot dat uw behangbanen scheef op de muur geplakt worden.

Daarom begint u altijd met het behangen tegen een precies verticaal afgetekende loodlijn.

Voor het aftekenen van deze beginlijn gebruikt u een schietlood. Of u bindt een sleutel of iets anders zwaars aan een touwtje. Als het touwtje maar recht naar beneden hangt, kunt u het gebruiken om er uw eerste perfect verticale lijn mee af te tekenen.

U begint in de hoek van de kamer waar het licht binnen valt (de raamkant). Zo’n 50 cm vanuit deze hoek zet u een potloodstreepje boven aan de muur. U houdt het touwtje van uw schietlood op dit streepje. Vervolgens zet u op een aantal plaatsen halverwege het touwtje en onderaan óók streepjes op de muur. Zo’n loodlijn zet u bij elke hoek (op 50 cm afstand van die hoek).

De eerste baan die u nu plakt moet precies tegen zo’n streep aanzitten. U weet dan zeker dat uw eerste baan en daardoor ook alle andere banen kaarsrecht op de muur worden geplakt.

Doe een muur met ramen het laatst. Waarschijnlijk kunt u alle restbanen van de overige muren gebruiken bij het beplakken van de muur onder en boven de ramen.

Volgende pagina: Behangbanen knippen